Zum Inhalt springen

Rijks Krankzinnigen Gesticht

Biografie

Uit het medisch dossier blijkt dat Edgar Alvares Correa op 11 november 1943 is opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht Eindhoven. Hij is met een machtiging geplaats in opdracht van de arrondissementsrechtbank te Utrecht.
In het geschreven machtigingsverslag van 24 juli staat een opmerkelijke tekst die later getypt is.
‘De heer E. Alvares Correa staat genoteerd als Portugees Israëliet. Blijkbaar is destijds abusievelijk een J op de stamkaart geplaatst, hoewel over het aantal joodsche grootouders niets bekend is’.
Verder meldt het expiratieverslag dat Edgar Alvares Correa op 22 november 1880 in Curaçao geboren is. Als beroep wordt gemeld dat hij kantoorklerk is geweest. Hij is de zoon van Marius Alvares Correa geboren op 15 maart 1846 op Curaçao (vader sterft op 12 juli 1889) en Rosalinda Semali de Valencia, geboren 12 september 1855 eveneens te Curaçao.
Edgar Alvares Correa heeft al een lange geschiedenis van inrichtingen achter de rug. Van 30 juni 1906 tot 31 maart 1917 verblijft hij in de inrichting Voorburg in Vught.
Dan wordt hij naar de Willem Arntzhoeve overgeplaatst waar hij op 11 november 1943 overgeplaatst wordt naar het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Eindhoven. Dat is een maand voordat de Willem Artntzhoeve ontruimd wordt door de bezetter. De omstandigheid dat niet duidelijk is dat heer Correa ‘voldoende’ joodse grootouders heeft om een ‘J ’op zijn stamkaart te rechtvaardigen redt hem, althans voor enige maanden van deportatie.
Verder vermeldt het verslag nog dat Heer Correa in de omgeving van Oswiecim (Auschwitz) is ‘overleden’ . Er wordt gerefereerd aan een schrijven van 4 oktober 1951 van de Burgerlijke Stand te Eindhoven. De aanduiding ‘begraven te:‘ is onbeschreven.
Uit het medisch opname verslag komt naar voren, dat Edgar Alvares Correa erg in zichzelf gekeerd is en dat hij vrijwel niet in contact treedt met de buitenwereld. Hij reageert slechts op aandringen op zijn ondervrager. Jarenlange opnames hebben zeker bijgedragen tot de defecttoestand zoals die door de observator beschreven wordt. Helaas komen we maar weinig over de man zelf te weten. Het is meer een observatieverslag, dan dat er een neerslag van een gesprek met Edgar Alvares Correa wordt gepresenteerd.
De maandelijkse aantekeningen melden vooral dat er ‘geen bijzonderheden‘ zijn.
Geen bijzonderheden dan tot de 14e maart 1944, wanneer de Sicherheitspolizei Edgar Alvares Correa komt halen, samen met 23 joodse lotgenoten.

Sara Bak
Geboren op 25 - 7 - 1888 in Amsterdam
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Rachel Berger
Geboren op 26 - 10 - 1898 in Jaffa
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Abraham Bleekrode wordt op 8 maart 1898 geboren te Groningen. Hij is de zoon van Samuel Bleekrode geboren 1 oktober 1873, en Mietje Israel, geboren 23 december 1863. Hij wordt opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Eindhoven op 21 juli 1926, nadat hij op 17 juli van dat jaar in verzekerde bewaring is gesteld. Op last van de officier van ‘s – Hertogenbosch wordt hij met een machtiging opgenomen. Zijn voorlaatste verblijfplaats is het Krankzinnigengesticht in Hoerdt (Frankrijk). Naast de expiratie van het RKG Eindhoven berust in het dossier ook een expiratie van het Rijks Krankzinnigen Gesticht in Medemblik. Daar is hij eveneens met een machtiging opgenomen op 8 februari 1918. Hij wordt daar ontslagen als ‘niet hersteld zijnde’ op 17 juli 1922.
Verder meldt de expiratie van het RKG Eindhoven onder het kopje ‘overlijden’ dat de staatscourant van 27 augustus 1953 (nummer 165) bericht geeft dat patiënt op 31 augustus 1944 is ‘overleden’ in Midden Europa.
De ziektegeschiedenis (autoanamnese) die opgemaakt wordt op 20 mei 1937, meldt: Toen patiënt 6 jaar oud was, ging de familie, ouders en vijf kinderen (patiënt is de oudste) naar Duitsland. Zijn vader nam in Duitsland een betrekking aan in de mijn. In Groningen had hij een fabriek van elektrotechnische en chemische producten. Patiënt bezoekt de lagere school in Homburg (Rheinland) en bleef niet zitten. Vervolgens verhuisden de familie naar Meurs (ook in het Rheinland) en weer terug naar Homburg, waar hij van zijn achtste tot twaalfde jaar gewoond heeft. Na zijn lagere school periode doorliep hij de Joodsche School, en daarna de Realschule. Patiënt is nooit blijven zitten.
Toen patiënt 17 was ging hij naar de academie voor mijnbouw. Daarna kreeg hij werk in een laboratorium. Hij hield daar mee op omdat ie lichamelijk verzwakt was en geen zin meer had. (deze woorden zijn later onderstreept.) Patiënt ging van huis weg en zwierf rond. Hij werkte dan weer eens hier en dan weer daar, in machinefabrieken. Hij had wat eigen geld, waardoor hij het wel wat kon uitzingen.
Op een van zijn zwerftochten ontmoette hij iemand van het Franse mijnwezen, die wilde geheimen van de Duitse fabrieken weten, maar hij heeft daar weinig over los gelaten. Hij kreeg toen een betrekking in Frankrijk. Na een half jaar neemt hij ontslag om vervolgens naar Holland te gaan. Daar probeerde hij aan geld te komen door ‘flauw te vallen op straat’. Hij kreeg een aantal bloedspuwingen en werd opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis. Men meende met een getroebleerde man van doen te hebben. Hij werd daar onderzocht. Werd vervolgens weer ontslagen en zwierf in Nederland. Patiënt raakte overstuur, werd zenuwachtig en kwam weer in het Gasthuis terecht. Hij kreeg nu werkelijke aanvallen waarbij hij in elkaar zakte. Onderzoek bracht naar voren dat zijn beide longen waren aangetast. Werd een aantal weken behandeld en toen als gezond verklaard ontslagen.
Maar patiënt was lusteloos, dacht niet aan de toekomst, zijn ouders interesseerden hem in het geheel niet meer. Op zijn twintigste loopt het weer helemaal fout. Hij was opnieuw erg zenuwachtig, prikkelbaar en zonder dat hij wist hoe, is hij weer in het Wilhelmina Gasthuis terecht gekomen. Hij wordt overgeplaatst naar Apeldoorn, waar hij een jaar verblijft. Na zijn ontslag vertrekt hij naar Frankrijk, Parijs. Het kon hem niets meer schelen. Nu ging hij plezier maken had hij zich voorgenomen. In Frankrijk wordt hij enige malen verpleegd in verband met longfalen. Hij raakte opnieuw overstuur en had allerlei lichamelijke klachten. Hij kon moeilijk slapen, kreeg moeilijk eten binnen en had veel last van obstipatie. Hij werd uiteindelijk in een krankzinnigengesticht in de Elzas geplaatst. En vandaar weer naar Holland gestuurd waar hij 16 mei 1926 arriveert.
Zijn geestelijk gesteldheid is bij opname sterk achteruitgegaan. Hij is erg achterdochtig. Hij zegt uitgezonden te zijn voor een geheime missie. Hij vertrouwt de psychiater toe dat hij achter een geheim is gekomen, maar dat hij daar in het geheel niet over wil praten. Hij loopt een aantal keren weg en leeft dan op kosten van de joodsche gemeente.
Hij blijft weglopen. Hij vlucht naar Duitsland. Eenmaal weer terug, vertelt hij dat hij ontsnapt is uit een concentratiekamp. (Helaas is deze aantekening niet gedateerd.)

Klara Bont is geboren op 10 augustus 1905 te Amsterdam. Volgens het expiratieverslag komt ze van het Wester Gasthuis in Amsterdam wanneer ze op last van de officier van justitie van Amsterdam op het RKG wordt opgenomen met een machtiging. Als haar adres wordt de Retiefstraat 45 II in Amsterdam vermeld. Klara Bont is ongehuwd.
De ziektegeschiedenis bevat een autoanamnese waaruit het volgende naar voren komt. Vader was een magazijnbediende bij de metaalhandel ‘Eitje’. Volgens Klara Bont was vader altijd gezond. Ze heeft drie broers en zusters waarvan ze niet weet waar ze zijn. Ook de verblijfplaats van haar ouders is haar onbekend. Ze bezoekt de openbaar lagere school te Amsterdam, ze kon niet zo goed leren en ze doubleerde de vijfde klas. Als ze twaalf jaar oud is verlaat ze de school en werkt als kostuumnaaister. Ze krijgt daarin een opleiding van drie jaar van een huisnaaister. Van haar 15e tot 23e jaar werkt ze op het naaiatelier van de fa. Nousen. Daarna werkt ze voor een naaiatelier Mekeres. Daar werkt ze zes jaar. In het Israëlisch Ziekenhuis aanvaardt ze een betrekking als linnenjuffrouw waar ze acht maanden werkt. Klara Bont stamt uit een joods-orthodox milieu. Ze heeft nooit betrekkingen met jongens gehad, ze had wel vriendinnen. Ze was altijd zeer aanhankelijk en ze beschrijft haar jeugd thuis als prettig. Negen maanden terug is het ‘onheil begonnen’.
Haar ouders kregen een oproep zich voor ‘Polen’ te melden. Het gezin is toen uit elkaar gegaan. Mevrouw Bont kwam via omwegen in het Gooi terecht, en na allerlei wederwaardigheden werd ze tenslotte ontregeld opgenomen in het Israëlitisch ziekenhuis. Nauwelijks een week na haar opname werd het ziekenhuis ontruimd. Door zich te verbergen in een dakgoot wist Klara Bont te ontkomen. Na omzwervingen werd ze tenslotte in het Wester Gasthuis opgenomen.
In de ‘status praesens ‘ wordt mevrouw Bont beschreven als een goed toegankelijke vrouw. ‘Ze is spraakzaam. Ze vertelt haar levensloop uitvoerig en met bijzonderheden. Alleen over de laatste 9 maanden is ze terughoudend. Ze is vriendelijk en beleefd. Bij opname was ze angstig en geagiteerd, hetgeen in haar situatie begrijpelijk is. Ze getroost zich moeite om zich aan deze situatie aan te passen.’
De arts meent dat ze op haar gevoelsleven verminderd aanspreekbaar is. Hij schrijft: ‘als ik het gesprek op haar ouders breng, dat het toch wel erg is dat ze niets meer van hen gehoord heeft, maakt dat vrijwel geen indruk.‘
Klara Bont zegt dat het goed is dat ze niet weet waar haar ouders zijn, want ‘als we elkaar zouden schrijven zouden de brieven onderschept kunnen worden. Of men zou gedwongen kunnen worden om bepaalde dingen te zeggen. Daarom is het beter zo’.
De arts schrijft daar verder over: ‘Er steekt veel waars in deze opvatting, nog blijft haar affectieve onbewogenheid bemerkingswaardig. Ook in een ander verband demonstreert ze hetzelfde. Toen ze een tijd bij een mevrouw in het Gooi werkte heeft ze tijdens de afwezigheid van haar mevrouw het kleine kind, een zuigeling, bijna laten vallen, waarbij deze onhandigheid het kind ernstig werd gewond en in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Het had een bloeduitstorting in de hersenen. Ook tijdens het verhalen van deze gebeurtenis toont ze weinig affectieve reactie. Haar gevoelsleven schijnt geheel geabsorbeerd te zijn door haar eigen lot. Ze is in haar instelling en in haar gedachten inhoud egocentrisch. Daardoor ontbreekt haar ook een juist inzicht in haar situatie. Kleine ongerieven, die ze in de maatschappij als gevolg van de positie waarin ze verkeert, moet ondergaan, kunnen haar dusdanig kwetsen, dat ze haar grote belangen vrijwel uit het oog verloor. Een gebrek aan aanpassingsmogelijkheid, die ze ook hier na haar opname min of meer demonstreerde. Haar opvattingsvermogen is voldoende, evenals haar geheugeninprentingsvermogen’. Aldus schreef de arts naar eer en geweten.
Met de kennis van nu zou je toch, niet geheel onterecht, kunnen twijfelen aan het inlevingsvermogen van de betreffende arts. En ook zijn opmerking over haar ‘kleine ongerieven’, getuigt niet werkelijk van inzicht in de toenmalige positie waarin veel joodse medeburgers verkeerden. We weten nu dat zowel haar ouders, evenals haar broers en zusters de oorlog hebben overleefd.

Sarah Chasin
Geboren op 1 - 9 - 1901 te Preskurari (Rusland)
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Salomon Frank
Geboren op 22 - 4 - 1896 te Middelburg
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Henriëtte Frank wordt op 30 januari 1906 in Rotterdam geboren als dochter van Salomon Frank (* 4 januari 1868) en Catharina Frank (* 11 november 1865) Op 26 maart 1940 wordt ze op last van de president van het arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch met een machtiging opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht in Eindhoven. Ze komt dan van de kolonie Geel, bij Antwerpen. Deze kolonie stond bekend om haar gezinsverpleging.
Het dossier bevat maar weinig gegevens. Henriëtte Frank komt uit de aantekeningen naar voren als een zeer kwetsbare vrouw, die haar leven lang al ondersteuning heeft gekregen. Ze is lange tijd in Geel opgenomen geweest, maar daarover bevat het summiere dossier geen aantekeningen. Ze is niet gemakkelijk. Ze wordt als zeer prikkelbaar ervaren en meent dat iedereen tegen haar gekant is. Ze weigert te werken en is onverschillig ten opzichte van haar omgeving. In het dossier zit een brief van de burgelijke stand van Eindhoven, gedateerd 2 juli 1963, waarin gemeld wordt dat het ‘overlijden’ van Henriëtte Frank werd geregistreerd als ‘overleden op 26 maart 1944 in de omgeving van Oswiecim (Auschwitz) in Polen’

Rosa Frankenhuis werd op 18 augustus 1897 in Haaksbergen, Overijsel geboren als dochter van Meijer Frankenhuis ( * 14 mei 1840) en Sophia Oppenheimer (* 12 juli 1847 Stadt Lokn Pruissen)
Ze wordt op last van de officier van Justitie van Amsterdam met een machtiging opgenomen op 17 november 1943 in het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Eindhoven. Ze komt van de Joosche Invalide, Wester Gasthuis, Weesperplein.
De ziektegeschiedenis geeft de volgende informatie die door Rosa Frankenhuis in haar autoanamnese is verstrekt: ‘Vader was koopman in manufacturen. Hij is plotseling gestorven op 64 jarige leeftijd. Men zegt dat hij door de bliksem getroffen is, misschien een hartverlamming. Moeder is overleden aan griep, maar is ouder geworden dan vader. Moeder was Duitse, had een zwak gestel. Kon zich daardoor weinig met haar vier kinderen bemoeien. Patiënt bezoekt een tijdje een school in Haaksbergen, maar al spoedig verhuisde het gezin naar ’s Heerenberg, waar patiënte de school afmaakte. Aanvankelijk kon ze goed leren, maar was wel wat achter bij de andere kinderen, omdat het in de school in Haaksbergen toch wat primitiever toeging. Hoe oud ze was toen ze de school verliet, weet patiënte niet meer. Na school bleef Rosa Frankenhuis bij haar ouders thuis wonen. Tot ze trouwde met L. Frankenhuis, die geen familie van haar was. In haar huwelijk heeft ze veel gereisd in Duitsland, omdat haar broers en zussen daar woonden. Meer bijzonderheden weet Rosa Frankenhuis niet aan te geven. Samen met haar man verhuisde ze naar Amersfoort waar ze een zaak begonnen. En de zaak leverde een behoorlijk bestaan op. Ze kregen twee kinderen, een zoon en een dochter. De dochter trouwde later met dr. Sanders. Haar zoon is onlangs nog hier geweest met zijn meisje. Maar naderhand heeft ze niets meer van hen gehoord (ze huilt wanneer ze dit vertelt). In verband met het oog dat ze mist, werd ze opgenomen in de Joodsche Invalide. Ook haar man heeft een tijd in de Joodsche Invalide gewoond. Waar hij nu is, weet ze niet. Ze denkt dat hij dood is. In het Westergasthuis hoorde ze plotseling roepen ‘Frankenhuis’! Ze riep: ‘Eduard, ben jij daar’ maar ze kreeg geen antwoord. Ze weet daarom dat hij een ongeluk heeft gehad en dat hij dood is. Dat heeft ze gehoord, van wie weet ze niet.
De status praesens meldt: ‘Oud, blind getraumatiseerd vrouwtje. Beantwoordt de vragen op welwillende wijze, is over het algemeen beleefd en vriendelijk. Ze geeft adequate antwoorden, maar dwaalt spoedig af en keert zo terug naar bepaalde gedachten, die steeds op stereotype wijze terugkomen. Haar actuele gedachteninhoud is zeer beperkt’.
Voor de rest herhaalt het dossier in vergelijkbare bewoordingen haar geschiedenis. Ze lijdt aan dementia atherosclerose. Ze maakt geen moeilijkheden. Ze is aardig en vriendelijk. En zeer afhankelijk van haar omgeving.
In het dossier is ook nog een brief, gedateerd 13 januari 1947, aan dokter Tiggelaar waarnemend geneesheer directeur, afkomstig van M. Frankenhuis.

Weledelzeergeleerde Heer,
Enige dagen geleden stond in een der dagbladen ingesloten oproep betreffende (ex)wethouder Strak, die de aanleiding is geweest van de dood van mijn moeder: Mevr. Rosa Frankenhuis die bij u in verpleging was eind 1943 tot 13 maart 1944 toen zij met ruim 20 andere Joosche patiënten naar Westerbork is weggevoerd, om van daaruit naar Polen getransporteerd te worden, waar zij, zoals ook de anderen, vergast is.
Ik verzoek U den commissaris van het Tribunaal te Amsterdam al de gegevens te verschaffen, waarover U beschikt opdat Strak zijn gerechte straf niet zal ontlopen. Met vriendelijke dank voor Uw medewerking, teken ik, namens de familie,

Onder de brief staat in handschrift geschreven: ‘origineel meegegeven aan de politieke recherche te Eindhoven’.

Roseline Gazan
Geboren op 4 - 10 - 1868 in Amsterdam
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Jacob de Hond wordt op 31 januari 1917 geboren in Rotterdam als zoon van Philip de Hond (* 17 oktober 1893) en Heintje v.d. Kar (* 13 oktober 1892). Op 4 augustus 1939 wordt Jacob de Hond op grond van een arrest van het gerechtshof te ‘s – Gravenhage opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Eindhoven. Verder meldt het document dat Jacob de Hond ‘overleden’ is op 26 januari 1945 in Buchenwald.
Uit een rapport van het Nederlands Genootschap tot zedelijke verbetering, afdeling Rotterdam, kon de volgende informatie overgenomen worden.
‘Jacob de Hond is het tweede kind in een rij van 14 kinderen. Een kind is overleden, zeven kinderen bezochten ‘reeds’ het bijzonder onderwijs. Vader is geruime tijd werkeloos. Een dochter werkt op de chocoladefabriek ‘de Heer’. Vader staat niet gunstig aangeschreven bij het Maatschappelijk Hulpbetoon. Geen der gezinsleden is met justitie in aanraking geweest. Jacob de Hond heeft tot 1933 bijzonder onderwijs gevolgd aan de school aan de Kruiskade. Is daarna tewerkgesteld in de werkinrichting voor zwakzinnigen. Heeft daar gewerkt tot 15 oktober 1938. Er werd hem 35 cent per week uitbetaald. Rest werd gespaard voor kleren voor patiënt. Vader was niet ingenomen met de regeling en op 15 oktober bleef Jacob de Hond dan ook weg van deze inrichting. Jacob de Hond werkte, hoewel langzaam, goed op de mattenvlechterij. Hij had veel last van neusbloedingen. Ouders werkten tegen. Zij stonden laat op. Er heerst wanorde in het gezin, vader wil dat de kinderen geld in huis brengen. Hij kaart veel in cafés. Ouders beiden debiel. De familie van de Kar (moedersnaam) staat in Amsterdam bekend als achterlijk en zeer gedegenereerd. De afdeling is bereid het eventuele toezicht op de jongen te aanvaarden. Bijvoorbeeld aanvankelijk 3 jaar. Was getekend Heer van Geeuw’.
In de pro justitia raportage worden de feiten en de aannames nog eens herhaald. ‘De grond voor zijn arrest is dat hij met een bakfiets, waarin ook een broer zat, te hard door de bocht is gereden, de macht over het stuur heeft verloren en aan de overzijde van de weg een wielrijder heeft aangereden. Deze wielrijder kwam te vallen, met het hoofd op de trottoirband en raakte bewusteloos. Het slachtoffer werd opgenomen in het ziekenhuis, waar een hersenschudding werd vastgesteld. De behandelend geneesheer verwachtte geen blijvend letsel. Jacob de Hond bekent het ten laste gelegde, en verklaarde dat hij zo hard reed omdat hij voor het donker binnen wilde zijn, daar de bakfiets geen lantaarn droeg’. Dokter Donkersloot beveelt een plaatsing in het AC Wertheim aan, huis voor geestelijk defecte, rustige joodsche mannen te Amsterdam.
Ook de ziektegeschiedenis, opgemaakt in het RKG te Eindhoven, kopieert in grote lijnen het verdrietige verhaal van Jacob de Hond. Na zijn opname beleeft hij een rustige periode in de geborgenheid van het gesticht. Hij is vrolijk, vriendelijk en werkt naar behoren.

Marcus Mozes de Leeuw
Geboren op 8 - 5 - 1864 in Groenlo
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Frieda Mendel wordt op 6 juli 1895 geboren in Coesfeld Duitsland. Ze wordt op 4 mei 1937 met een machtiging opgenomen op last van de arrondissementsrechtbank in Haarlem. Ze komt van het Provinciaal Ziekenhuis in Santpoort en de opname is aangevraagd door haar zwager, de heer J.B.H.A. Barends. Verder leert het machtigingsformulier dat Frida Mendel in 1921 trouwde met Rafaël Zwartverver in Dortmund. Ten tijde van de opname is ze gescheiden. Als beroep staat modiste ingevuld. Verder heeft het dossier een ziektegeschiedenis die opgemaakt is uit de aantekeningen van het gesticht Santpoort.
‘Patient is getrouwd geweest maar haar man heeft haar na +/- acht jaar verlaten, omdat ze zo lastig was. Zelf zegt mevrouw dat ze is gescheiden omdat ze geen kinderen kon krijgen. Na haar scheiding gaat ze in Den Haag wonen. Ze heeft voortdurend ruzie met de buren, verhuisde voortdurend, hing uit de ramen en schold op chauffeurs. Ze meende dat die aan haar lichaam ‘trokken’ en haar een ‘verzakking’ bezorgden. Patiënt zei ook te vloeien. Onderzoek van verschillende artsen leverde evenwel niets afwijkends op. In Santpoort werd ze behandeld met een malariakuur. Deze behandeling had niet het gewenste effect. Mevrouw bleef achterdochtig. Uiteindelijk wordt ze gediagnosticeerd als dementia paralytica.’
Maar haar geestesgesteldheid wordt ook beschreven als paranoïde schizofrenie. Tijdens de opname wordt vermeld dat mevrouw vriendelijk en voorkomend is. Ze werkt heel behoorlijk in de weverij. Zo nu en dan wordt ze voor een dagje opgehaald door haar zuster en zwager in Haarlem.
Een zijdelingse aantekening in het dossier is opmerkelijk. ‘Patient staat geboekt als R.K. lidmaat en als N.I. Is echter Israëliet.’ De aantekening is op een later tijdstip aangekruist en ‘Israëliet’ is onderstreept.
De laatste aantekeningen in het dossier verhalen dat Frieda Mendel zich steeds meer in zichzelf keert. Ze wordt als apathisch omschreven en werkt gedwee aan wat haar wordt opgedragen. ‘s Nachts lijkt ze te hallucineren, maar desgevraagd ontkent ze dat. ‘De stemmen die ik hoor zijn van mezelf’.

Walter Cornelis Harry Pataky werd geboren op 12 november 1898 in Berlijn. Van zijn ouders is niets vermeld. Walter Pataky wordt op last van de president van de arrondissementsrechtbank in ’s-Hertogenbosch met een machtiging opgenomen. De opname is het gevolg van een brief van het Armenwesens in Zurich met het verzoek om de heer Pataky op te nemen. Hij verblijft dan op kosten van de Zwitserse staat in de Anstalt Bergheim in Uetikon am Zürichsee. In de brief wordt gesteld dat er geen verbetering waar te nemen is en dat een langer verblijf niet in het belang van de patiënt is. Hij wordt verder beschreven als een vriendelijke ongevaarlijke man, die in Nederland beter op zijn plaats zou zijn omdat hij in Den Haag is opgegroeid. Verder wordt vermeld dat hij uit een zwaar belaste familie komt en dat hij ernstig zenuwziek is. Hij is destijds in Parijs opgepakt. Hij zwierf er zonder geld rond terwijl hij in de waan verkeerde dat hij miljoenen bezat.
Uit de autoanamnese komt naar voren dat Walter Pataky een zwervend bestaan heeft geleid. ‘Zijn vader was een Hongaar die zich tot Nederlander liet naturaliseren. Walter Pataky zat eerst op een school in Berlijn, daarna in Den Haag tot 1915.
In 1917 tot 1918 naar Oostenrijk voor militaire dienst. In Oostenrijk deed hij praktisch eindexamen voor gymnasium. In de oorlog was hij oorlogsreferent voor Holland voor het G.H. perskwartier. Hij moest de Hollandse kranten lezen en daarover rapporten uitbrengen. Na de eerste wereldoorlog ging hij met zijn broer terug naar Holland om scheikunde in Delft te studeren, deed propedeuse-examen en later kandidaatsexamen. Deed ondertussen ook nog een rechtenstudie in Leiden. Hij zou zeker afgestudeerd zijn als zijn vader niet was overleden. Zijn vader was een octrooi bezorger, liet veel schulden na. Met moeite de schulden betaald en daarna moest Walter Pataky zijn moeder onderhouden, door de taak van zijn vader twee jaar voort te zetten. Walter Pataky zegt een broer en een zus te hebben. Zijn zus is medicus, getrouwd met arts Niese. Vroeger in Frankfurt, nu in Lyon. De broer is Delfts ingenieur, verblijft in Palestina, bouwt daar een stadion’.
Verder vertelt Walter Pataky dat hij samen met Dr. Ing. F.J. Nellenstijn een uitvinding heeft gedaan over het fabriceren van vetzuren uit parafine, waarop octrooi gevraagd en verkregen is.
En zo gaat hij nog wel even door. Het is duidelijk dat de rapporteur het niet al te serieus neemt hetgeen Walter Pataky vertelt. En als de interviewer hem zijn gang laat gaan worden de verhalen als maar mooier en fantastischer.
Op de afdeling wordt hij beschreven als rustig en vriendelijk, beleefd. Hij studeert in een rechtskundig boek. Hij is indolent, heeft vrijwel geen belangstelling voor zijn omgeving.
Uiteindelijk worden zijn verhalen steeds incoherenter. En om de situatie nog lastiger te maken ontwikkelt hij achterdocht. Wel valt op dat hij geen onzin vertelt. Hij is algemeen zeer onderlegd, alleen legt hij verbindingen die zeer onwaarschijnlijk zijn en soms zelfs aantoonbaar onjuist. Hij associeert sterk wat hem uiteindelijk ook nog een predicaat autisme oplevert dat wordt toegevoegd aan zijn toch al indrukwekkende diagnose.
Bijzonder wrang is nog een brief van de gemeente Eindhoven gedateerd op 20 november 1942. Aan de hand van de regels aangaande de gehanteerde rassenwet blijkt Walter Pataky moeilijk te plaatsen. Gezien de omstandigheid dat er weinig bekend is over zijn ouders, en grootouders, meent de ambtenaar dat het aantal grootouders niet vast te stellen is. Op basis van een circulaire van het hoofd van de Rijksinspectie van bevolkingsregisters van 27 augustus 1941, stelt de ambtenaar dat Walter Pataky als ‘voorlopig’ aangemeld zou moeten worden. De toevoeging ‘voorlopig’ heeft Walter Pataky niet kunnen redden, want op het machtigingsformulier heeft een ambtenaar op later tijdstip ingevuld ‘overleden’ te Auschwitz op 26 maart 1944.

Eva de Raaij
Geboren op 5 - 12 - 1890 in Amsterdam
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Marianne Thekla Rosenfeld
Geboren op 16 - 1 - 1884 in Wenen
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Alice Sachs wordt op 2 februari 1893 geboren in Berlijn als dochter van Arthur Julius Sachs (* Breslau) en Rosa Heller (*29 juli 1861 Berlijn). Ze is gehuwd met H. Fleischer ( * 29 juni 1914 Charlottenburg). Alice Sachs heeft de Tsjechische nationaliteit. Ze wordt op last van de president van de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage met een machtiging opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht op 8 november 1937. Het paar heeft twee kinderen. Op het moment van opname komt ze van de kliniek Ockenburgh Loosduinen.
De ziektegeschiedenis meldt: ‘Patiënt wordt gebracht door haar pensionhoudster, mevrouw Feld. Alice Sachs woonde sinds 3,5 jaar in een pension in Scheveningen, Gemert de Grootweg 122. Ze komt uit een gegoede Duitse familie in Oost-Pruisen, huwde met Dr. Fleischer, dr. in de economie, die sinds drie jaar in Londen woont. Haar moeder is op 39-jarige leeftijd gestorven aan kanker. Haar vader is 6 jaar geleden gestorven. Patiënt lijdt sinds haar zestiende jaar aan toevallen. De laatste tijd raakte patiënt in haar pension in de war. Ze gooit bijvoorbeeld met glazen water. De diagnose epilepsie is bevestigd door dr. Fraenkel uit Berlijn, die patiënte reeds lang ambulant onder behandeling had. Ook was zij enige malen opgenomen in diens sanatorium.
Behalve haar toevallen heeft patiënte buien van verwardheid die eerst langzamerhand voorbijgaan met bedrust, luminal en broom. Ze heeft over haar toevallen weinig herinnering. Toch is over het algemeen haar geheugen en oordeel goed’. Volgens een brief van de man aan Ockenburgh is hetgeen patiënte als therapie het beste helpt een grotere dosis luminal. Ook blijkt uit deze brief dat patiënt een zoon van 15 jaar (in augustus althans) hier in Holland heeft. ‘Te Ockenburgh was patiënte eerst stuporeus en kon geen gesprek voeren. Ze had ’s nachts enige epileptische insulten. Allengs werd ze wat meer ‘wakker’ maar ging dan ook hallucineren en kreeg ze waandenkbeelden, meende dat man en kinderen doodgeschoten waren, hoorde dit ook door de radio. Ze was angstig en onrustig en wilde zelf ook dood. Langzamerhand werd ze wat toegankelijker, hoort zich echter ook door de radio uitgescholden voor ‘hoer’, is bang dat haar omgeving dit geloven zal en wil zoo niet verder leven. Ze is depressief, weigerde nu en dan voedsel. De familie is in 1933 uit Duitsland uitgeweken. De man vond eerst werk in Parijs, later in Londen. Hij moet veel reizen. De vrouw bleef in Holland achter, de man is Israëliet, de vrouw niet’.
Verder zit er nog een brief van haar man van 7 november 1937 in het dossier.
Uit de brief blijkt dat haar echtgenoot zich ernstig zorgen maakt over de situatie van zijn vrouw. Er is sprake van dat als hij niet voor het onderhoud van zijn vrouw betaalt, zij naar Tsjecho-Slowakije gestuurd zal woorden. Haar man is financieel in een kritische situatie, en is momenteel niet in staat om voor het onderhoud van de vrouw te betalen. Hij hoopt op een spoedige genezing zodat hij haar kan laten overkomen naar Londen. Hij is ook bang dat als zij uitgewezen wordt naar Tsjecho- Slowakije, hij zijn kinderen niet meer kan bezoeken. Hij benadrukt dat uitwijzing van zijn echtgenote naar Tsjecho-Slowakije ook haar geestelijke toestand zal verslechteren. Ook vraagt hij dringend om overplaatsing naar een ‘Heim fuer Nervenkranke in Amersfort’ dat door een Duits-joodse arts gesticht is, een zekere dokter Levy. Hij meent dat het zeer geschikt is voor een verblijf van zijn echtgenote omdat ze daar in haar moedertaal kan spreken. Hij had deze informatie gekregen van mevrouw van Tuijn van het comité voor joodsche vluchtelingen.
Hij sluit de brief met het uitspreken van de hoop dat men zijn noodsituatie erkent en dat men zijn pogingen om in de situatie in te grijpen niet kwalijk neemt.
Tenslotte is er nog een brief van het Rijks Krankzinnigen Gesticht aan de heer Fleischer, gedateerd 25 juni 1945. Het is een antwoord op een brief die hij kennelijk gestuurd heeft op 2 mei 1945 met een verzoek om informatie.
‘Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 2 mei 1945 deel ik u mede, dat mej. Fleischer-Sachs hier op 8 november 1937 is opgenomen, nadat zij tevoren eenige tijd verpleegd is geworden in de kliniek Ockenburg te Loosduinen. Tijdens haar verblijf in deze inrichting was zij volkomen verward. Zoals ik ook reeds aan uw zoon heb laten mededeelen, is zij, tegelijk met de overige hier verpleegde joodsche patiënten, op 14 maart 1944 door de Gestapo uit dit gesticht weggevoerd, en, voorzoover dezerzijds bekend is, destijds overgebracht naar Westerbork. Nadien is dezerzijds omtrent het lot dezer patiënten niets meer vernomen.
De geneesheer directeur’.

Sophia Serphos wordt op 12 juni 1891 geboren in Neuenhaus Bentheim. Haar ouders worden niet in het expiratie vermeld. Ze wordt 10 januari 1941 opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Eindhoven. Drie dagen daarvoor is ze in verzekerde bewaring gesteld. Ze wordt opgenomen met een machtiging, op last van de voorzitter van de arrondissementsrechtbank van ‘s–Hertogenbosch. Ze komt van het St. Rochus Hospital te Telgte (Westfalen)
Het dossier bevat een ‘Krankheitsgeschichte’ van het St. Rochus Hospital Telgte. Sophia Serphos is daar opgenomen op 30 oktober 1924. Ze wordt naar het ziekenhuis gebracht door haar stiefbroer, nadat haar familieleden die voor haar zorgden overleden zijn.
In de eerste jaren wordt ze beschreven als een vriendelijke, kinderlijke vrouw, die functioneert op het niveau van een vijfjarig meisje. Ze speelt graag met poppen. Ze is aanhankelijk en volgzaam. Ze heeft de hele dag plezier en onder aanmoediging van andere patiënten, zingt en danst ze. Ze is gelukkig en tevreden met haar medepatiënten. Ze werkt op de naaikamer van het ziekenuis en heeft het naar haar zin. Soms wordt ze geplaagd door heimwee. Ze kijkt gelukkig bij iedereen die haar aanspreekt. En kan ontzettend veel plezier hebben om dingen, hoe klein ook van aard. De beschrijvingen veranderen van af de beginjaren dertig. Ze krijgt last van woedeuitbarstingen en verzorgt zich minder goed, ze moet vaak gecorrigeerd worden.
Dit soort beschrijvingen herhalen zich. Een opgewekte stemming kan zomaar omslaan in een opwindingstoestand, waarin ze zaken kapot wil maken en ook valt ze medepatiënten aan.
De ziektegeschiedenis wordt op 7 januari 1941 afgesloten met ‘Im Wesen und Verhalten is eine Änderung nicht eingetreten. Wird heute in die Reichs-Geistes Krankenanstalt Eindhoven/Holland überführt. ‘
Een grond voor de overplaatsing wordt niet gegeven.
Ook wordt uit de ziektegeschiedenis, zoals opgetekend tijdens de opname, niet duidelijk waarom ze is overgeplaatst. De betreffende functionaris schrijft dat een autoanamnese niet mogelijk is. Ze reageert ontoegankelijk op vragen. Ze mompelt in onverstaanbaar Duits. Ze laat zich door alles afleiden, pakt voorwerpen in haar hand en bijt bij herhaling in de rug van haar hand.
Een andere bron uit Duitsland weet nog te melden dat in 1933 in Neuenhaus 22 joodse burgers woonden, waaronder de familie Serphos. De moeder van Sophia Serphos, Johanne Serphos, ook ‘Jöddenhanne’ door haar stadgenoten genoemd, is in 1924 overleden. Haar geestelijk gehandicapte dochter werd na haar moeders dood in een instelling geplaatst in, of in de buurt van Münster. Volgens deze bron zou ze in 1933 ‘abgeholt’ zijn.
Over de moeder van Sophia Serphos bericht de bron nog het volgende: ‘De joden van Neuenhaus waren vooral middenstanders, kooplieden. Ze handelden in lompen, schroot en dierenvellen. Ook waren ze als slachter werkzaam. Ze slachtten schapen, geiten en runderen. Het vlees bezorgden ze aan huis bij hun clientèle, nadat ze eerst de bestellingen aan huis hadden opgehaald. ‘Jöddenhanne’ bouwde op kermisdagen en jaarmarkten een kraam op waar ze band en garen en speelgoed te koop aanbood. Daarvoor trok ze met haar handel langs de omliggende dorpen en buurtschappen met een hondenkar, later werd de kar door een paard getrokken, om haar spullen aan de man te brengen. En op die tochten werd ze vergezeld door haar ongelukkige dochter.’

Jacobus Snijtselaar wordt op 12 mei 1896 in La Gleize, België geboren als zoon van Samuel Snijtselaar en Cecile van Straten. Hij wordt met een machtiging opgenomen op last van de officier van justitie van ’s-Hertogenbosch. Uit de ziektegeschiedenis autoanamnese valt op te maken dat Jacobus Snijtselaar als vijfde van vijf kinderen in het gezin, waarvan de vader een reiziger in manufacturen was, geboren is in Luik. ‘Dat is mijn ongeluk geweest dat ik de jongste ben, anders was ik hier nu niet gekomen. Ik ben thuis de popspeler geweest en heb in Luik de lagere school gevolgd.
Ik heb toch niet goed geleerd, hoe dat precies kwam, kan ik u niet zeggen. Op mijn dertiende eindelijk een vak geleerd; huisknecht. Werken kan ik goed, beter dan lezen en schrijven. Ik ben 9 jaar huisknecht en garçon in het hotel Cecil te Brussel geweest. Ik had reuze goede betrekkingen en toen ik in 1914 moest tekenen of ik soldaat in Nederland of België wilde worden’.
Zijn betrekking in het hotel raakte hij echter kwijt vanwege de oorlog en heeft patiënt anderhalf jaar in een tehuis voor onbehuisden doorgebracht. Van daar trok hij in 1916 naar Breda om alsnog zijn militaire dienstplicht te vervullen. Hij is 16 maanden in dienst geweest. In dienst waren er geen moeilijkheden. Nooit straf. Daarna kreeg hij een baantje als huisknecht in het sanatorium Bourgemon bij Luik. Na anderhalf jaar daar weggegaan omdat ie niet genoeg verdiende. Terug naar hotel Cecil in Brussel. ‘Toen kreeg ik een grote mond over mijn meisje van een oom en tante’. (Hij had een protestants meisje). Zijn oom en tante, bij wie hij toentertijd in huis woonde, wilden niet dat hij met het meisje verkeerde. Hij kreeg daarop veel ruzie, vooral met de tante. Toen het meisje overleed mocht hij van hen niet naar de begrafenis. Daarop is hij zijn oom aangevlogen, en wilde hij uit het raam springen. Dat was de aanleiding dat hij naar het sanatorium Reckheim is gestuurd.
‘En toen uit kwaaiigheid heb ik zijn kop genomen en tegen de muur geslagen. Ik werd daar zo zenuwachtig door dat ik tegen de grond geslagen ben en de doctoren hebben me toen naar een ziekenhuis gestuurd’. Hij is toen een jaar in het sanatorium Reckheim geweest en vandaar naar de RKG geplaatst.
In het onderzoeksverslag wordt Jacobus Snijtselaar beschreven als een slappe joodse figuur die eruitziet als 25 jaar oud. Reconstructie leert dat dit onderzoek in 1931 heeft plaatsgevonden, patiënt is dan 35 jaar oud. ‘Hij gedraagt zich netjes en correct, grijnslacht meermalen, maakt stereotype trekkingen met zijn gezicht, gluiperig gezicht met een zwarte achterovergekamde haardos’.
Verder heeft het dossier niets te melden. De laatste aantekening op hert machtigingsformulier betreft de datum 14 maart 1944, de dag van het transport. De machtiging meldt geen bericht waarin komt vast te staan wanneer en waar hij vermoord is.

Mordegai Maurice Vas Dias wordt op 13 maart 1891 in ‘s - Gravenhage geboren als zoon van Arnold Vaz Dias (* 2 juli 1850 , overl. 10 april 1900) en Peres Eraline Cornelia (* 26 februari 1855, overl. 5 november 1937). Mordegai Maurice Vas Dias wordt zes dagen na de dood van zijn moeder op 11 november 1937 opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Eindhoven. Hij is opgenomen met een machtiging op last van de president van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. De aanvraag voor de machtiging is gedaan door zijn zus, mej. A. J. Vas Dias, die ook optreedt als zijn bewindvoerder. Het dossier geeft slechts geringe informatie: ‘Mordegai Maurice Vas Dias komt uit Engeland. Hij is erg verward. Uit de woordbrei zowel in de Engelse- als de Nederlandse taal valt te distilleren dat hij zeven jaar in Engeland is geweest. Heeft er gewerkt als grondwerker ‘a strange place to be’. Hij geeft inadequate antwoorden’.
Het dossier heeft verder niet veel meer te melden. En opnieuw is het laatste dat in het dossier geschreven is bericht Burgerlijke Stand Eindhoven: ‘overleden op 26 maart 1944 in de omgeving van Oswiecim (Auschwitz) in Polen’.

Meijer Waterman
Geboren op 4 - 2 - 1906
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Meijer David van Wijk wordt op 1 oktober 1885 geboren in Purmerend als zoon van Hartog van Wijk (* 2 mei 1852) en Jette Suskind (* 14 juni 1859). Hij wordt op 15 februari 1918 opgenomen in het Rijks Krankzinnigen gesticht in Woensel (later RKG Eindhoven) met een machtiging op last van de officier van justitie in Alkmaar. Meijer David van Wijk heeft dan al een geschiedenis van opnames achter de rug. Hij komt uit een zeer belaste familie. Meerdere familieleden hebben een psychisch belast verleden. Al in 1907 wordt hij ontoerekenbaar verklaard bij vonnis van de arrondissementsrechtbank in Groningen. In de ziektegeschiedenis komt het volgende naar voren. Vader van patiënt wordt als zonderling omschreven. Hij volgt de lagere school in Baard, een plaatsje dicht bij Sneek. Meijer David kan moeilijk leren. Na zijn schoolperiode gaat hij werken als bakkersknecht. Verslijt vele patroons. Kan moeilijk aarden. Als hij in Medemblik wordt opgenomen krijgt hij de diagnose Dementia Preacox.
Tijdens de observatieperiode volgend op de opname schrijft een ambtenaar dat hij weinig onder de indruk lijkt van zijn nieuwe omgeving. Van symptomen van zijn stoornis wordt niets gemerkt. Hij houdt zich bezig met het plagen van andere patiënten. Hij begrijpt de noodzaak van zijn opname niet. Patiënt wil soldaat worden. Hij zal spoedig weggaan, dat heeft de dokter van de rechtbank hem beloofd. De verpleger schrijft dat Meijer David van Wijk zich verder ordelijk gedraagt, en volijverig is. Hij krijgt vrijheden, maar die worden later ingetrokken omdat er klachten over hem binnenkomen dat hij zich ongewenst ophoudt met kleine meisjes. In de autoanamnese komt naar voren dat Meijer David van Wijk nog een oudere broer heeft. Zijn familie laat zich weinig aan hem gelegen liggen. Zijn vader is gestorven 27 december 1914. Zijn moeder leeft dan nog en woont bij zijn broer. Volgens zijn informatie is zij nog gezond. Zijn broer heeft een bakkerij in Assen. Patiënt is nooit met verlof geweest. Broer wil de reiskosten niet betalen. Hij vertelt dat zijn vader rijksambtenaar bij de directe belastingen was. Over zijn schoolperiode vertelt hij dat hij voor zijn 14de moeilijk kon leren. Dat ie de dingen niet begreep.
Later ging dat wat beter. Naast de lagere school in Baard heeft hij ook op school gezeten in Gorredijk en in Lemmer. Hij zegt dat ie tot zijn 18de levensjaar naar school is gegaan. Zijn eerste betrekking was als bakkersknecht in Groningen. Maar hij was in het geheel niet geschikt om van huis te zijn. Hij liep terug naar huis, en kreeg daar slaag als straf. Hij krijgt een nieuwe betrekking als bakkersknecht in ’s-Hertogenbosch. Daar houdt Meijer David het een jaar vol. Er volgt een opsomming van betrekkingen waar hij als bakkersknecht gediend heeft. Hij werkt door het hele land: Arnhem, Nijmegen, Groningen, Meppel, Enschede en Harlingen. Daar komt hij in aanraking met justitie. Hij wordt veroordeeld. Na zijn ontslag zwerft hij rond zonder enige vorm van inkomsten. Hij had graag bij de koloniale reserve gewild, maar hij werd onder de maat beoordeeld. Dan komt hij bij dr. Wiersma onder behandeling, waar hij drie en een halve maand verpleegd is geweest. Daarna pleegt hij opnieuw een strafbaar feit. Hij werd gearresteerd, de commissaris ging met hem naar dr. de Jager, maar die kon hem niet opnemen. Hij belandt opnieuw in het huis van bewaring. Tijdens de rechtszaak daaropvolgend wordt hij ontoerekeningsvatbaar verklaard en opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht te Medemblik. Hier werkt hij in het huis van de directeur. Hij wordt geplaagd door medepatiënten. Hij zou iets gehad hebben met een verpleegster aldaar, en dat deed jaloezie ontstaan bij de andere patiënten. Hij vertelt dat hij goed brieven kan schrijven, en dat hij al eens brieven heeft geschreven naar de inspecteur en de minister. Hij heeft een heel stuk over de landbouw geschreven.
Uit de testen komt Meijer David van Wijk naar voren als iemand die breed georiënteerd is. Hij heeft een goede algemene ontwikkeling.
Meijer David schijnt het wel naar zijn zin te hebben in het gesticht. Hij voegt zich in het gestichtsregime, krijgt werk in de joodse keuken van de instelling en gaat onder begeleiding naar de synagoge in Eindhoven. De laatste aantekeningen in de ziektegeschiedenis zijn van 26 november 1931. Verder zijn er alleen nog verpleegkundige maandelijkse aantekeningen die zich kenmerken met een herhalend patroon van ‘geen bijzonderheden’.
In november 1931 schrijft een onbekend gebleven zenuwarts ‘Beleefd vriendelijk joodje, volkomen georiënteerd in alle kwaliteiten gedraagt zich netjes’, en dan volgt opnieuw een opsomming van de bekende feiten uit het tragische leven van Meijer David van de Wijk.
Op het expiratievonnis staat nog het laatst geschrevene, gedateerd 4 oktober 1951: ‘overleden in de omgeving van Oswiecim (Auschwitz) in Polen op 26 maart 1944’.

Saartje van der Woude
Geboren op 2 - 4 - 1888 in Amsterdam
Vermoord op 26 - 3 - 1944 in Auschwitz

Medien

Fotos

Kostenlos dank Ihrer Hilfe

Diese Biografie ist frei zugänglich. Wenn Ihnen der Stolpersteine Guide gefällt, freuen wir uns über einen kleinen Beitrag.

Danke an Martin Schreyer, Claudia Körner, Anett Humboldt, Peter Hein und 6 weitere.
Unterstützen

Stolpersteine in der Nähe

Alle Stolpersteine in Eindhoven

Quellen & Impressum

Stichting 18 September / Struikelstenen Eindhoven

In Eindhoven is het initiatief genomen om de 274 in de tweede wereldoorlog omgebrachte joodse inwoners van de stad te herdenken. Hierbij zullen kleine herdenkingstenen, zogenaamde struikelstenen, geplaatst worden in het trottoir bij de woning waar de slachtoffers woonden. Hierop staat de naam van het slachtoffer, de overlijdensdatum en de naam van het concentratiekamp. Op deze wijze wordt de herinnering aan deze gruwelijke vervolging in de tweede wereldoorlog levend gehouden en geven we de slachtoffers een naam.